Sidra van de Week

Sjabbat Choekat, 20 juni 2026/ 5 Tammoez 5786

Bemidbar/Numeri 19: 1 – 20: 6; Tanach blz. 307-309.

Haftara: Sjoftiem 11:1 – 33;  Tanach blz. 512-514.

 

Vertaler: Channa Kistemaker

Coördinatie: Channa Kistemaker

 

Commentaar:  Arnold M. Eisen is emeritus decaan em docente Joodse Wijsbegeerte aan het Jewish Theological Seminary te New York

 

Oorspronkelijke Engelse tekst

 

Use the link to read or listen to the original text in English.  

_________________________________________________

 

De menselijkheid van Mosjé



 

Mosjé is in de sidra van deze week buitengewoon menselijk. Hij verliest zijn zus aan het begin van hoofdstuk 20 en zijn broer aan het einde van datzelfde hoofdstuk. Daartussenin vertelt God hem dat hij de voltooiing van zijn levenswerk (het leiden van zijn volk naar het Beloofde Land) niet zal meemaken – omdat hij, als mens en niet als volmaakte mens, Gods instructies niet nauwkeurig genoeg opvolgde bij het verrichten van een wonder waarbij water uit een rots komt. Lezers van de Tora vermoeden dat Mosjé, op dit punt in zijn lange leven, niet veel meer geeft om het werk dat hij zo onbaatzuchtig doet. Hij lijkt uitgeput door het voortdurende geklaag van zijn volk en is allang gewend geraakt aan de ondoorgrondelijkheid van de God die hij liefheeft en dient. We voelen ons aangetrokken tot deze man. We willen hem leren kennen en van hem leren. Op deze manier, net als op zoveel andere, vervult hij de wensen van de Tora, zo niet die van God. Hij trekt ons het verhaal in en maakt ons trots om daar erfgenamen van te zijn.

 

Maar wat is er precies mis met zijn gedrag bij die watergevende rots? Ik merk dat ik steeds weer terugkeer naar dit intrigerende en raadselachtige deel van het verhaal, en een uitweiding in Jacob Milgroms schitterende The JPS Commentary: Numbers maakt duidelijk dat een lange rij lezers vóór mij dat ook al deed. “Door de eeuwen heen is de zonde van Mosjé, zoals beschreven in Bemidbar 20:1-13, beschouwd als een van de Gordiaanse knopen van de Bijbel: de straf is duidelijk, maar wat is de misdaad?” (448). Milgrom plaatst tien belangrijke interpretaties die door de eeuwen heen zijn gegeven voor de reden waarom Mosjé wordt gestraft in drie categorieën: Mosjé slaat op de rots in plaats van ertegen te spreken; hij vertoont daarbij karaktertrekken die zijn ambt onwaardig zijn; de aard van de woorden die hij uitsprak is ongepast. Ik geloof dat hij voor alle drie de overtredingen wordt gestraft. Mosjé’s misdaad is dat hij publiekelijk afwijkt van Gods gebod; dat hij zich door frustratie laat leiden. Daarmee toonde hij zich ‘menselijk, al te menselijk’ in plaats van het toonbeeld van deugd dat God op dat moment, net als op elk ander moment, van hem verwachtte. Gods straf is hard, maar ook passend. Mosjé heeft niet langer wat nodig is om zijn zeer menselijke volk in zeer moeilijke omstandigheden te leiden. Iemand anders zal het moeten doen.

 

Kijk eens naar deze feiten uit het verhaal. De Jisraëlieten, die net Mirjam hadden begraven, ‘keerden zich opnieuw tegen Mosjé en Aharon’. Ze lijken weinig geleerd te hebben van de vreselijke gevolgen van eerdere opstanden, of ze trekken zich er niets meer van aan. Ze hebben de gewoonte niet afgeleerd om te wensen dat ze in Egypte waren gestorven in plaats van in de woestijn. Geen graan, geen vijgen, geen wijnranken, geen granaatappels. ‘Er is zelfs geen water om te drinken!’ (20:2-5). Mosjé’s volk zit vast in een slaafs patroon dat begon op het moment dat ze Egypte verlieten: een probleem tegenkomen, klagen bij Mosjé, Mosjé brengt het probleem naar God, wachten tot God het oplost – tot de volgende keer, wanneer het patroon zich herhaalt.

 

Mosjé en Aharon weten dit, maar zelfs na de vreselijke gebeurtenissen van de opstand van Korach lijken ze niet bij machte om er iets aan te doen. God ook niet. Deze keer, wanneer het volk klaagt en Mosjé en Aharon voor God neervallen, krijgen ze, net als voorheen, de opdracht om de staf te nemen waarmee sinds de plagen goddelijke wonderen zijn verricht, de gemeenschap bijeen te roepen om getuige te zijn van wéér een wonder, en “tegen de rots te spreken” opdat deze het benodigde water zal geven. De twee broers nemen de staf zoals hen is opgedragen en roepen de gemeente bijeen zoals hen is opgedragen – maar dan wijkt Mosjé op twee fascinerende (en volstrekt menselijke) manieren af ​​van zijn bevelen.

 

Ten eerste zegt hij spottend tegen het volk: “Luister, jullie rebellen, zullen wij water voor jullie uit deze rots halen?” (Het ongebruikelijke Hebreeuwse woord voor rebellen, morim, wordt met precies dezelfde letters gespeld als de naam van Mosjé’s zus, Mirjam.) Ten tweede spreekt Mosjé niet alleen tot de rots, maar slaat hij er ook op, niet één maar twee keer. God is niet blij. “Omdat jullie Mij niet vertrouwden en Mij niet heiligden in de ogen van de Jisraëlieten, zullen jullie deze gemeenschap niet het land binnenleiden dat Ik hun gegeven heb.” Het volgende vers stelt dat God “Zijn heiligheid bevestigde” of “geheiligd werd” in/door/in deze “Wateren van Ruzie”—hoewel we niet precies te horen krijgen hoe.

 

Had Mosjé niet beter moeten weten? Ter verdediging van Mosjé wordt aangevoerd dat God eerder tijdens de reis van de Jisraëlieten (Sjemot 17:6) reageerde op een soortgelijke opstand, veroorzaakt door watergebrek, met het bevel om water uit een rots te halen door er met de staf op te slaan. Wat is dan het nut van Mosjé’s terugkeer met de staf, als hij die niet op dezelfde manier gebruikt als voorheen? Dat is nu juist de kern van de zaak, denk ik. De Schepper van hemel en aarde is niet gebonden aan precedenten. Dit is geen magie, maar een wonder: geen voorgeschreven handelingen of uitspraken zijn toegestaan. (Milgrom maakt dit duidelijk in zijn commentaar.) Bovendien eisen Gods geboden, wanneer ze zo specifiek zijn als deze, absolute gehoorzaamheid van degenen die het dichtst bij God staan. Mosjé slaat op de rots zonder daartoe bevolen te zijn. Het gebaar is op dat moment volkomen natuurlijk – dat wil zeggen, menselijk. De zus van de man is net overleden, hij is tot in het oneindige gefrustreerd door het gezeur van de Jisraëlieten, en de vorige keer dat deze situatie zich voordeed, werd hem gezegd de staf in zijn hand te gebruiken om te slaan. Dus dat doet hij. Maar menselijkheid is geen geldig excuus.

 

De woorden die Mosjé uitspreekt, verraden een soortgelijke afwijking van Gods bedoeling. God zegt: “Je zult voor hen water uit de rots putten (we-hotzeta)”, met het werkwoord in de tweede persoon enkelvoud. Het is dan ook niet meer dan natuurlijk dat Mosjé tegen het volk zegt: “Zullen wij water putten (notzi)?” Sommige commentatoren zijn van mening dat hij daarmee de eer voor het wonder voor zichzelf opeist in plaats van die aan God toe te kennen. Maar Mosjé kan zeker vergeven worden voor zijn formulering, aangezien hij een mens is. Hij volgt slechts Gods eigen grammatica, en past die zelfs aan door Aharon (“wij”) erbij te betrekken in plaats van alleen over zichzelf te spreken. De commentatoren hebben echter wel een punt in hun kritiek. Zijn sarcasme lijkt de uitvoering van het wonder in twijfel te trekken, en Mosjé laat inderdaad elke vermelding van God weg. Misschien denkt hij dat het, na al die gebeurtenissen, nadat God het volk met manna heeft gevoed, hen meer dan eens water heeft gegeven en meer kwartels heeft gestuurd dan ze op kunnen eten – om nog maar te zwijgen van het wonderbaarlijke openen van de aarde waardoor de leiders van de opstand van Korach werden verzwolgen, en – oh ja – de kleine kwestie van het splijten van de Rode Zee en het verdrinken van Farao’s leger – na dat alles misschien niet meer nodig is om uit te leggen dat God Jisraëel opnieuw redt en dat Hij slechts de tussenpersoon is.

 

Maar Gods normen zijn veeleisend. God geeft Mosjé en Aharon niet specifiek de opdracht om Hem nog een keer te heiligen door middel van nog een wonder, maar dat hoort wel bij hun taakomschrijving als profeet en priester. Als Mosjé tot de rots had gesproken en de rots water had gegeven, schrijft Rasji (20:12), dan had het volk misschien gezegd: Deze rots spreekt niet en hoort niet, maar gehoorzaamt God; wij zouden dat ook moeten doen! In plaats daarvan wordt God geheiligd ondanks Mosjé en Aharon, juist door hun straf.

 

Die straf verbindt Mosjé en Aharon op een krachtige manier met hun zus en hun volk. Ook zij, hoe verheven ze ook waren, zijn sterfelijk. Ook zij maken fatale fouten. Aharon sterft aan het einde van het hoofdstuk waarin het verhaal van de rots wordt verteld, en aan het begin van het volgende hoofdstuk klaagt het volk opnieuw: geen brood, geen water, “ellendig voedsel” (vermoedelijk het manna). God stuurt slangen om hen te bijten, het volk smeekt Mosjé om tussenbeide te komen, God voorziet in een wonderbaarlijk geneesmiddel tegen de slangenbeten – en ze gaan verder. Mosjé vraagt ​​zich waarschijnlijk af hoe dit volk – zo menselijk in hun kwetsbaarheid, zoals zelfs hij menselijk is, ondanks zijn kracht – erin zal slagen vijanden te overwinnen op weg naar het Beloofde Land, laat staan ​​degenen die hen aan de overkant van de Jordaan opwachten. Dat vragen wij ons als lezers zeker ook af. Dat is wellicht de reden waarom de Tora, als antwoord op Mosjé’s twijfel en die van ons, direct vertelt over veldslagen die de Jisraëlieten winnen. We horen over een ‘Boek van de Oorlogen van de Eeuwige’ en krijgen fragmenten te lezen uit verzamelde triomfgedichten – alsof Mosjé, moe en berustend na decennia in de woestijn, verzekerd moet worden dat de belofte van het Beloofde Land standhoudt. Zijn volk zal er zonder hem komen.

 

Mosjé begrijpt dat hij niet de leider is die hen daarheen zal leiden. Hij is meer dan bereid om de verantwoordelijkheid aan iemand anders over te dragen. Dit is de laatste – en misschien wel de belangrijkste – van de vele lessen die hij ons leert over menselijkheid en over hoe we als mens ons best moeten doen om Gods wil te volbrengen.