Sjabbat Reë, 8 augustus 2026/ 25 Av 5786
Dewariem/Deuteronomium 11: 26 – 13:1 ; Tanach blz. 375.
Haftara: Jesjajahoe 54:11 – 55:5; Tanach blz. 893.
Vertaler: Channa Kistemaker
Coördinatie: Channa Kistemaker
Commentaar: Shira Billet is docente joodse filosofie en ethiek aan het Jewish Theological Seminary te New York.
Use the link to read or listen to the original text in English.
_________________________________________________
Het vermogen om te kiezen: de basis van de Joodse ethiek
Kiezen – tussen goed en kwaad – is het openingsthema van de sidra Reë. “Zie (re’eh), vandaag stel Ik u voor de keuze tussen zegen en vloek. Zegen, als u gehoorzaam bent aan de geboden van de Eeuwige uw God (…). Vloek, als u Zijn geboden niet gehoorzaamt (…).” (Dewariem/Deuteronomium 11:26-28). Dit vers is een toegangspoort tot het einde van Deuteronomium: ” Zie (re’eh), vandaag stel Ik u voor de keuze tussen voorspoed en tegenspoed, tussen leven en dood (…) u staat voor de keuze tussen leven en dood, tussen zegen en vloek. Kies voor het leven (…).” (Dewariem 30:15, 19).
De Jisraëlieten staan op de rand van de intocht in het land (Dewariem 11:29) en staan voor de immense uitdaging om een stabiele, bloeiende samenleving te vestigen. De dramatische verschuiving van een nomadische samenleving, beschermd door Gods aanwezigheid en gelegerd nabij de Tabernakel, naar een expansieve staatsvorm, bracht diepgaande agrarische, sociale, politieke en religieuze uitdagingen met zich mee, die in deze sidra aan bod komen.
Het is veelbetekenend dat dit fundamentele moment wordt ingekaderd door de begrippen keuze en beslissing. Goede wetgeving is een noodzakelijke component van een bloeiende samenleving – een van de belangrijkste thema’s van Dewariem. Maar een goed rechtssysteem – bestaande uit Gods geboden – is niet voldoende. Een leidend ethos moet de keuze om te doen wat juist en goed is, ondersteunen. Ethiek is daarom ook een centraal thema van Dewariem.
Als het gemakkelijk was om een stabiele, rechtvaardige en bloeiende samenleving te creëren, zou er geen noodzaak zijn om keuze te benadrukken. Het is echter natuurlijk voor samenlevingen om zich te organiseren rond schaarste, concurrentie en het nastreven van macht om te overleven, zoals in de ‘natuurtoestand’ die door politieke filosofen wordt beschreven. Dewariem benadrukt dus dat het goede leven – zelfs in een goed georganiseerde samenleving met een uitstekende wetgeving – steeds opnieuw een bewuste keuze vereist. Dilemma’s liggen voor de hand tussen tegenstrijdige verlangens, behoeften en waarden. Een bredere ethische visie dient als leidraad in die steeds terugkerende moeilijke beslissingsmomenten.
De keuze die aan het begin van de sidra Reë wordt gepresenteerd, wordt zowel in de tweede persoon enkelvoud (re’eh) als in de tweede persoon meervoud (lifneichem) weergegeven. Rabbi Jacob ben Asjer (13e eeuw) betoogde dat het samengaan van enkelvoud en meervoud significant is (Baal Ha-Turim, Dew. 14:1). Het goede leven vereist coördinatie tussen het individu en het collectief.
Maar wat stuurt onze keuzes? Naast wetgeving staat Dewariem vol met programmatische uitspraken die overkoepelende normen bieden om onze keuzes in bredere zin te sturen.
Dewariem, inclusief deze sidra (Dew. 13:5), is bijvoorbeeld de voornaamste bron van het concept ‘wandelen in Gods wegen’ (we-halachta bi-drachav). Van de Talmoed tot de middeleeuwse en moderne filosofie is Imitatio Dei – het navolgen van God – een centraal onderdeel van de joodse ethiek geweest, waarbij de nadruk ligt op de deugden en ethische handelingen die in het bijbelse verhaal aan God worden toegeschreven (bijv. Talmoed Bavli, Sotah 14a, Shabbat 133b).
Ethiek wordt vaak geassocieerd met een gerichtheid op de ander. De oneindige waarde van alle mensen, die fundamenteel is voor de ethiek, komt voort uit de schepping van de mens naar Gods beeld. Het beeld van God is ook in het zelf te vinden, en er bestaat een intieme wisselwerking tussen eigenwaarde en de waarde van alle anderen. Deze wisselwerking – tussen een gerichtheid op de ander en het behoud van eigenwaarde – vormt de kern van de joodse ethiek.
De sidra Reë geeft op unieke wijze uitdrukking aan het belang van een theologisch onderbouwd fundamenteel gevoel van eigenwaarde, in Dewariem 14:1: “Omdat u kinderen van de Eeuwge, uw God bent is het u niet geoorloofd een teken van rouw in uw lichaam te kerven (lo titgodedoe).”
In Pirké Avot identificeert Rabbi Akiva dit vers als een van de drie essentiële theologisch-ethische uitspraken in de Bijbel (Avot 3:14). Het vers bevat een bredere waardeverklaring die resulteert in een norm. Het bredere concept is het idee kinderen van God te zijn, wat het joodse volk waardigheid verleent, dat op zijn beurt zijn waardigheid en eigenwaarde moet bewaren (R. Samson Raphael Hirsch [19e eeuw], Commentaar op de Pentateuch, Deuteronomium 14:1). De norm is een gebod tegen zelfbeschadiging. In crisismomenten, wanneer men zich gebroken voelt, bestaat de verleiding om die gebrokenheid te externaliseren en letterlijk te belichamen.
Binnen de ontwikkeling van de joodse wetgeving zijn twee afzonderlijke geboden voortgekomen uit de enkele uitspraak “gij zult uzelf niet snijden”. Het eerste is het beginsel tegen het beschadigen van het lichaam van een individu. Het tweede, afgeleid van rabbijnse exegese (Talmud Bavli, Jevamot 14a), is een verbod op het verdelen van het staatsbestel in gepolariseerde facties die elk door een eigen rechtbank worden bestuurd. Polarisatie ontstaat op momenten van diepe crisis binnen de polis, waar de verleiding groot wordt om deze verdeeldheid te tonen door fundamentele instellingen te ontwrichten – door afzonderlijke rechtsstelsels te creëren. Rabbi Judah Loew (Maharal) van Praag (16e eeuw) merkte op dat extreme burgerlijke onrust het collectief versplintert, en dat ook de individuele burger het gevoel heeft “alsof” zijn eigen “lichaam verscheurd is” (Gur Aryeh over Deuteronomium 14:1).
Dewariem 14:1 leert dat noch het lichaam van het individu, noch het staatsbestel mag worden verscheurd als een individu of samenleving wil floreren. Het feit dat we Gods kinderen zijn is een oproep tot heelheid – tot zelfbehoud. Dit is een onvoorwaardelijke status (R. Meir’s interpretatie van Deuteronomium 14:1, Kiddushin 36a) die impliceert dat men altijd geliefd en gewaardeerd wordt. Deze wetenschap is essentieel voor het goede leven.
Gods kinderen zijn gaat altijd gepaard met het geschapen zijn naar Gods beeld, net als alle andere schepselen (Avot 3:14). Een ethiek van zelfbehoud is nauw verweven met een ethiek van de waardigheid van allen. Geen van beide kan worden opgegeven als een samenleving en de individuen die haar vormen enige hoop willen hebben op het bereiken van het ‘goede leven’.
In de sidra Reë, op het punt een stabiele en permanente burgerlijke samenleving te vormen in hun beloofde land, gaat de burgerlijke en politieke fundering gepaard met een ethische fundering. De oproep tot zelfwaardigheid en zelfbehoud in Dewariem 14:1 wordt onmiddellijk gevolgd door een oproep tot heiligheid: “Want u bent een volk dat aan de Eeuwige, uw God, is gewijd.” (Dewariem 14:2).
Deze verzen brengen de Jisraëlieten terug naar Wajikra 19, een ander fundamenteel moment in de joodse ethiek. “Wees heilig, want Ik, de Eeuwige, uw God, ben heilig.” (Wajikra 19:2) is een eerdere formulering van het begrip imitatio Dei – een oproep tot een leven dat Gods heiligheid navolgt. Wajikra 19 bevat ook het verbod op zelfverminking (19:28), evenals het gebod om “de naaste lief te hebben als uzelf” (19:18) en het parallelle gebod om “de vreemdeling lief te hebben als uzelf” (19:34).
De sidra Reë opent met de strijdkreet van de tweede helft van Dewariem – de oproep om “de zegen” te kiezen. Een diep gevoel van eigenwaarde, zelfrespect en een streven naar zelfbehoud staan centraal in een goed leven. Dit vloeit voort uit het feit dat we geliefde kinderen van God zijn. Een bloeiende gemeenschap vereist ook een ethos van respect voor de naaste en de vreemdeling, die eveneens naar Gods beeld geschapen zijn. In tijden van crisis bestaat de verleiding om de gemeenschap te versplinteren en de waardigheid van de ander te negeren. Het kan onmogelijk lijken om te kiezen voor de “zegen” en het “goede”. Het concept van keuze werd in Dewariem ontwikkeld op een cruciaal, fundamenteel moment. Aan de vooravond van een nieuw leven werden de angst voor het onbekende en het besef van de grote uitdagingen die voor ons lagen, bestreden met de formulering van leidende waarden en een standvastig geloof in de kracht om te kiezen.
