Sidra van de Week

Sjabbat Jitro, 7 februari 2026/ 20 Sjewat 5786

 

Sjemot/Exodus: 18: 1 – 27 Tanach blz. 145.

Haftara: Jesjajahoe/Jesaja 6:1 – 13; Tanach blz. 810.

 

Vertaler: Paula Reisner

Coördinatie: Channa Kistemaker

 

Commentaar:  Judith Plaskow doceert godsdienstwetenschap aan Manhattan College. Zij schreef het baanbrekende werk Standing Again at Sinai: Judaism from a Feminist Perspective. Het onderstaande commentaar is ontleend aan The Torah: a Women’s Commentary.

 

Oorspronkelijke Engelse tekst

 

Use the link to read or listen to the original text in English.  

_________________________________________________

 

Vrouwen en Openbaring

 

Toen Mosjee de boodschap die God hem gegeven had veranderde, sloot hij de vrouwen uit van de openbaring op de Sinaï.

 

Vanuit een feministisch perspectief bezien, bevat Jitro een van de meest pijnlijke p’soekim in de Tora. Op het aanvangsmoment in de Joodse geschiedenis, waarbij het hele volk Jisraëel geacht wordt vol ontzag en beven aan de voet van de berg Sinaï te staan wachten tot God op de berg zou neerdalen om het verbond te sluiten, wendde Mosjee zich tot de verzamelde gemeenschap en zei: “Zorg ervoor dat u overmorgen gereed bent en dat u in de tussentijd geen gemeenschap hebt met een vrouw.” (Sjemot/Exodus 19:15) Mosjee wil ervoor zorgen dat de mensen ritueel voorbereid zijn om Gods aanwezigheid te ontvangen, en een zaadlozing maakt zowel een man als zijn vrouwelijke partner tijdelijk ongeschikt om het heilige te naderen (zie Wajikra/Leviticus 15:16-18). Maar Mosjee zegt niet: “Mannen en vrouwen mogen geen gemeenschap met elkaar hebben.” In plaats daarvan maakt hij vrouwen op dit essentiële moment in de Joodse geschiedenis onzichtbaar als onderdeel van de gemeenschap die op het punt staat het verbond aan te gaan.

 

Deze woorden zijn om minstens twee redenen zeer verontrustend. Ten eerste vormen ze een schoolvoorbeeld van de behandeling van vrouwen als ‘de ander’, zowel elders in dit gedeelte als in de rest van de Tora. Steeds weer lijkt de Tora ervan uit te gaan dat het Jisraëlitische volk alleen uit mannelijke gezinshoofden bestaat. Het beschrijft de ervaringen van mannen, maar niet die van vrouwen. De tiende uitspraak, “Gij zult de vrouw van uw naaste niet begeren” (Sjemot 20:14), veronderstelt een gemeenschap van mannelijke toehoorders.

 

Ten tweede is de toetreding tot het verbond op de Sinaï niet slechts een eenmalige gebeurtenis, maar een ervaring die door elke generatie opnieuw moet worden beleefd (Devariem/Deuteronomium 29:13-14). Telkens wanneer dit gedeelte wordt voorgelezen, hetzij als onderdeel van de jaarlijkse cyclus van Tora-lezingen of als een speciale lezing voor Sjavoeot, worden vrouwen opnieuw opzijgeschoven en luisteren ze stiekem mee naar een gesprek van mannen met elkaar, en van mannen met God. Daardoor kan de tekst bij vrouwen een aanhoudend gevoel van uitsluiting en desoriëntatie oproepen. Het hele Joodse volk zou immers bij de Sinaï hebben gestaan. Waren we erbij? Waren we er niet bij? Als we erbij waren, wat hoorden we, toen de mannen hoorden: “Heb geen gemeenschap met een vrouw?” Als we er oorspronkelijk niet bij waren, kunnen we er dan nu wel bij zijn? Aangezien we nu zeker deel uitmaken van de gemeenschap, hoe kunnen we er dan niet bij zijn geweest op dat aanvangsmoment?

 

Gezien de ernst van deze vragen is het belangrijk om het grotere verhaal te bekijken, als context voor Mosjees bevel aan de mannen om geen gemeenschap met een vrouw te hebben. Toen de Jisraëlieten bij de derde nieuwe maan na hun vertrek uit Egypte bij de Sinaï aankwamen, beklom Mosjee tweemaal de berg om met God te spreken. Nadat hij God het bericht had gebracht dat het volk had ingestemd met het verbond, gaf God Mosjee nauwkeurige instructies om iedereen voor te bereiden op het moment van de openbaring:

 

“Ga terug naar het volk en zorg ervoor dat ze zich vandaag en morgen heiligen, en laten ze hun kleren wassen. Bij het aanbreken van de derde dag moeten ze gereed zijn, want op die dag zal de Eeuwige voor de ogen van heel het volk neerdalen op de Sinaï.” (Sjemot 19:10-11).

 

Het is opvallend dat Gods instructies aan Mosjee gericht zijn tot de hele gemeenschap. Het is Mosjee die ze verandert, die Gods boodschap interpreteert en die veronderstelt dat de instructies slechts voor de helft van de mensen bedoeld zijn. Zo filtert en interpreteert Mosjee in deze vroege fase van de Joodse geschiedenis Gods uitspraken door een patriarchale bril. Zijn woorden vormen een paradigma voor de behandeling van vrouwen, maar wel een complex paradigma. Ze laten zien hoe de Joodse traditie vrouwen herhaaldelijk heeft uitgesloten, maar ook hoe die uitsluiting moet worden begrepen als een vertekening van de openbaring.

 

Het is interessant dat de rabbijnen zich blijkbaar zorgen maakten over de implicatie van de afwezigheid van vrouwen op de Sinaï, aangezien ze vrouwen op verschillende manieren in de tekst interpreteerden. Beresjiet Rabba 28:2 interpreteert Sjemot 19:3 (“Zeg tegen het volk van Jaäkov, laat de kinderen van Jisraëel weten”) als volgt: “het volk van Jaäkov” verwijst naar de vrouwen, en “de kinderen van Jisraëel” naar de mannen. Volgens de midrasj suggereert de volgorde van de p’soekim dat God Mosjee eerst naar de vrouwen stuurde met de Tora. Wellicht, zo speculeren de geleerden, had God spijt van de fout dat Hij Chava niet direct het gebod betreffende de verboden vrucht had gegeven en besloot Hij dit niet te herhalen. Bovendien, zo merken de rabbijnen op, zijn vrouwen zorgvuldiger in het naleven van religieuze voorschriften, en zij zijn het die hun kinderen zullen onderwijzen. Rasji, die commentaar levert op de Misjna (Sjabbat 9:3; BT Sjabbat 86a), interpreteert Sjemot 19:15 (“. . geen gemeenschap . . met een vrouw”) als een specifieke regel die bedoeld was om de vrouwen van Jisraëel in staat te stellen aanwezig te zijn op de Sinaï. Omdat sperma na drie dagen zijn onreinheidskracht verliest, garandeert Mosjees instructie aan de mannen dat vrouwen ritueel rein blijven, zelfs als ze tijdens de Openbaring restjes sperma afscheiden. Met andere woorden, zonder Mosjees verdraaiing van Gods woorden direct te benoemen, probeerden de rabbijnen de effecten ervan ongedaan te maken.

 

Hieruit kunnen verschillende lessen worden getrokken. Een daarvan is dat openbaring en interpretatie niet te scheiden zijn. Er is geen openbaring zonder interpretatie; de elementaire ervaring van openbaring omvat ook een beslissing van interpretatie. Ten tweede leren we dat het interpretatieproces voortdurend gaande is. Wat Mosjee doet, proberen de rabbijnen in dit geval ongedaan te maken. Hoewel ze de uitsluiting van vrouwen in veel contexten herhalen en versterken, verzachten ze die in andere contexten. Ten derde, voor zover de taak van interpretatie voortduurt, ligt die nu bij ons. Als de afwezigheid van vrouwen op de Sinaï ondenkbaar is voor de rabbijnen – ondanks het feit dat zij die afwezigheid herhaaldelijk in hun eigen werken beschrijven – hoeveel te meer moet het dan ondenkbaar zijn voor vrouwen en mannen van nu, die functioneren in gemeenschappen waarin vrouwen volwaardige Joden zijn? Wij hebben het voorrecht en de verantwoordelijkheid om de goddelijke woorden te herstellen die weerklinken achter de stiltes in de tekst, en om het begrip van openbaring door vrouwen door de Joodse geschiedenis heen te reconstrueren.